Pink isn’t a colour, it’s an attitude. Als Miley Cyrus het zegt, moet het wel waar zijn. Studeren kan rooskleurig zijn!
Pink isn’t a colour, it’s an attitude. Als Miley Cyrus het zegt, moet het wel waar zijn. Studeren kan rooskleurig zijn!
Ik vind ‘lief’ een leuk woord, weet je? Zeker als er ‘de’ achter staat. Of ‘ver of ‘ge’ ervoor en ‘d’ erachter.
Want dat is allemaal als jij en ik.
De cesuur die langer duurt dan moet,
waar de pointe
de grote ommekeer
van een dramatische handeling inluidt.
Takken als strijkstokken op
altviolen en contrabassen,
gedreven door de wind
de wind in de haren van het lyrisch ik
opgevat als stilte.
Een stilte die exact 4 minuten en 33 seconden duurt,
geen stilte is, maar een ode aan de wereld.
Niets is stilte,
stilte is wat we niet kunnen horen
mogen horen? moeten horen?
Ultrasone geluiden die door merg en been,
stam en wortel stromen
als een roddel onttrokken aan menselijke oren
die enkel filosofen kunnen horen,
als gefluister van bomen.
Bomen die geen bomen zijn
maar contrabassen en altviolen,
een strijkorkest van vrouwen
georkestreerd door de dirigent
die alleen het lyrisch ik kan horen
interpreteren
voelen,
tot diep in zijn stam,
boomstammen en stambomen.
Ontworteld door de pointe,
kijkt en ziet het lyrisch ik
achterom:
een bubbel
spat uiteen,
onhoorbaar,
gedreven door de wind
Über allen Gipfeln
ist Ruh,
in allen Wipfeln,
spürest du
kaum einen Hauch;
die Vögelein schweigen im Walde
warte nur, balde
ruhest du auch.
Johann Wolfgang von Goethe
Een stilte gevolgd door een knal, BOEM.
De jongeman met mij op zijn schoot en de Clark Kent-bril op zijn welgevormde neus, schrikt op, fronst, kijkt achter zijn schouders.
‘Waar komt het vandaan? Komt het wel ergens vandaan?’, vraagt hij zich af.
De hele wereld raast aan hem voorbij. Niemand schijnt de knal opgemerkt te hebben.
Hij bepotelt mij verder, schenkt mij al zijn aandacht.
BOEM, zeg ik, harder deze keer, in grote drukletters.
Hij snapt het nu, kleedt mij verder uit met zijn ogen.
Ik vertel hem nu over leukere dingen, dingen die we samen kunnen doen. Ik laat hem de zuiverste muziek beluisteren die ik in de aanbieding heb. Ik vertel hem over grapjassen op een podium, over nieuwe films.
Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht. Hij neemt zelfs zijn agenda en legt ze naast de mijne. Zijn handen zijn warm.
Plots neemt hij een hand weg, graait in zijn laptoptas naar zijn gsm.
Hij belt?
Hij heeft dus een vriendin, onze Clark Kent. Weg vliegt hij.
Er verschijnen tranen op mijn gezicht. Ik verkleur.
We bekijken het positief, hoewel ik daar meestal niet goed in ben.
Netjes was hij wel. Nam tenminste nog de tijd om me te dumpen. Hij had me ook in de goot kunnen achterlaten.
Anders dan anders, dan vroeger is nu, mijn omgeving gekleurd met Groene Boekjes, oranje grammaticaboeken en schreeuwerige Esseltemappen, die aanzetten tot een ordening in mijn educatief verantwoorde chaos, die zich probeert te nestelen in mijn door verantwoordelijkheid geteisterde dikkop.
Terwijl de rode zetel in het brandpunt van de kamer “I’m the queen of the castle!” schreeuwt en terwijl de fluostiften en inktvullingen van deze wereld kreunen onder de stijlfiguren, die een zeker cachet geven aan de verweerde interlinguale structuren, vanuit metonymisch standpunt bekeken; worden mijn oogleden zwaarder.
Deze kamer leeft, leeft, zeg ik u! U mag van mij denken wat u wilt. Beschouw mij als een onbetrouwbare verteller en spit de tekst uit tot er niets meer overblijft dan fonemen, de kleinste betekenisvolle klankeenheden. Hang het tentsletje uit, engageer u voor de taal, de taal, die mijn kamerkijn bevolkt, beïnvloedt, bepaalt, met of zonder dt-fouten.
Dag kamertje zo volgestouwd en ook zo ontzettend leeg en stil
gil gil.
dag afwas van twee dagen op de tafel,
dag samenvattingen her en der naast de tafel
dag boekjeboek met de puristische trekjes
en
dag boekjeboek met de vreemde tekens
tekens en trekjes
van het boekjeboek goeiendag
D a a - a g boek
dag dik boek
dag klein kamerkijn mein
(naar Paul van Ostaijen)